Kerk en Vrede en het Wetenschappelijk bureau van de SP organiseerden, in samenwerking met de Werkgroep Midden Oosten, een bijeenkomst op 2 maart in de Tweede Kamer. De reden was de aanwezigheid van Matthew Hoh, directeur van de Afghanistan Study Group in Nederland. Hij lanceerde eind vorig jaar “A New Way Forward: rethinking U.S. Strategy in Afghanistan”. Het rapport doet vijf aanbevelingen die onderling verbonden zijn en dus gelijktijdig ter hand genomen moeten worden om uit de geweldsspiraal in Afghanistan te komen.

Verslag van een bijeenkomst met Matthew Hoh op 2 maart 2010 in Den Haag

Aan het eind van een Europese tour langs Finland, Zweden en Denemarken, bezocht Matthew Hoh op uitnodiging van Kerk en Vrede een door het Wetenschappelijk bureau van de SP georganiseerde bijeenkomst in de Tweede Kamer. De Amerikaan Matthew Hoh diende het afgelopen decennium als militair in Irak en als medewerker van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken in Afghanistan. In het najaar van 2009 nam hij ontslag omdat hij zich niet langer kon verenigingen met de Amerikaanse strategie in Afghanistan. Volgens Hoh delen veel Amerikaanse militairen en diplomaten zijn analyse, maar durft slechts een enkeling daar consequenties aan te verbinden.

Vrijwel iedereen die een beetje kritisch naar de inmiddels bijna tien jaar durende oorlog in Afghanistan kijkt deelt de volgende kritiekpunten:

  1. De oorlog is veel te kostbaar. Niet alleen in financiële termen en in mensenlevens (hoewel beide cijfers al voldoende argument zouden moeten zijn) maar ook als het gaat om de claim die het legt op de capaciteiten van het Amerikaans buitenlands beleid. De oorlog in Afghanistan is daarin zo dominant geworden dat het Amerikaanse ministerie van Buitelandse Zaken de recente omwentelingen in het Midden-Oosten niet zag aankomen en ook de grootste moeite heeft hier adequaat op te reageren.
  2. De Amerikaanse strategie met betrekking tot Afghanistan is contraproductief. De strategie faalt niet alleen, maar resulteert zelfs in het tegendeel van haar doelstellingen. Ondanks de vele miljarden die inmiddels in militaire middelen en ontwikkelingsprojecten zijn geïnvesteerd, escaleert het conflict alleen maar. Bovendien raakt Pakistan steeds verder van de Verenigde Staten vervreemd, terwijl de VS juist belang heeft in een goede relatie met dat land en niet zozeer met Afghanisten.
  3. De inval in Afghanistan is tien jaar geleden begonnen om Al Qaida aan te pakken. Voor dat doel moet je al lang niet meer in Afghanistan zijn. Al Qaida is niet in één land te localiseren maar heeft overal centra; niet eens alleen in islamitische landen. In plaats van een grootschalige oorlog tegen terrorisme zou dit bestreden moeten worden door hierop geconcentreerd politiewerk op mondiaal niveau.

Hoh ervaart echter dat deze logische redenering, die ieder weldenkend mens deelt, het altijd weer moet afleggen tegen gecultiveerde angst en woede. “Als we ons uit Afghanistan dan vliegt het volgende vliegtuig tegen het Empire State Building.“ of “We kunnen mullah Omar de hand niet schudden, want daar kleeft het bloed van 9-11 aan.“ Ook als het besef in Amerikaanse regeringskringen doordringt dat voor een andere strategie gekozen moet worden, komen alleen andere militaire opties ter tafel. Niet-militaire opties blijven buiten beschouwing.

De Afghanistan Study Group, waarvan Matthew Hoh directeur is, lanceerde eind vorig jaar “A New Way Forward: rethinking U.S. Strategy in Afghanistan”. Het rapport doet vijf aanbevelingen die onderling verbonden zijn en dus gelijktijdig ter hand genomen moeten worden.

  1. In de eerste plaats moet gewerkt worden aan verzoening tussen de verschillende politieke facties en etnische groepen in Afghanistan, leidend tot machtsdelingen en politieke participatie van alle partijen. Er zijn veel conflicten in Afghanistan die ondanks alle buitenlandse interventies nooit daadwerkelijk ter hand zijn genomen. In plaats daarvan wordt juist één van de betrokken partijen door de buitenlandse interventie gesteund in het conflict met de andere partijen. In plaats van partij kiezen voor de een en tegen de ander, zou ISAF de politieke ruimte moeten helpen creëren waarin bemiddelaars hun werk kunnen doen om de verschillende conflicten langs politieke weg op te lossen.
  2. De westerse troepen moeten zich onmiddellijk terugtrekken uit het zuiden en westen van het land. Juist daar worden ze veel te veel als tegenstander gezien. In het noorden en westen van het land is nog wel enige steun voor de westerse troepen en daar zouden ze dus in sterk gereduceerde vorm kunnen blijven.
  3. Het conflict in Afghanistan is niet alleen binnenlands, maar er spelen ook belangen en relaties van de buurlanden in mee. Er zal dus ook gewerkt moeten worden aan een regionaal politiek proces met Pakistan, India, Iran en de Centraal-Aziatische landen. En met Rusland en China op de achtergrond.
  4. Het hele sociaal-economische ontwikkelingsprogramma ten aanzien van Afghanistan zal drastisch herzien moeten worden. Verreweg de meeste uitgegeven miljarden zijn besteedt aan projecten die in overeenstemming zijn met westerse politieke doelen. Ontwikkelingsprogramma’s zullen vooral moeten plaatsvinden via lokale, niet-politieke NGO’s.

Deze aanbevelingen zullen niet van de ene dag op de andere door de Amerikanen worden overgenomen. Hoh bepleit daarom een Nederlands-Scandinavisch initiatief om samen een politiek alternatief ter hand te nemen. Zijn oproep aan Nederland, Denemarken, Zweden en Finland is:

  1. Stop onmiddellijk met de bijdrage aan de ISAF-troepen.
  2. Blijf wèl betrokken bij Afghanistan, maar dan als faciliteerder van verzpeningsprocessen en politieke onderhandelingen. Iedereen (in de VS, binnen de NAVO, bij de VN) praat over politieke oplossingen, maar niemand doet daadwerkelijk iets op dat gebied. Juist Nederland en de Scandinavische landen hebben een zekere staat van dienst als het gaat om onderhandelingen en verzoeningsprocessen in door conflicten verscheurde landen.
  3. Ter ondersteuning van de realisering van de bereikte politieke oplossingen zou je nog kunnen denken aan een peacekeeping vredesmacht in Afghanistan. Ook daar zouden juist Nederland en Scandinavische landen aan bij kunnen dragen, maar het zou misschien beter zijn om een dergelijk vredesmacht te laten leiden door een moslimland als Indonesië of Maleisië.

In de ogen van Hoh worden niet alleen de VS en de NAVO maar ook de VN te zeer vereenzelvigd met de huidige militaire strategie ten aanzien van Afghanistan om een geloofwaardig alternatief te kunnen bieden. Dergelijke alternatieven moeten uit een andere hoek komen. Zoals Turkije en Brazilië een andere benadering van Iran voorstaan, zo zouden Nederland en de Scandinavische landen een andere Afghanistan-strategie moeten ontwikkelen.

De onderhandelingen die hij bepleit zijn ook fundamenteel andere dan de onderhandelingen die nu door Karzai en de NAVO gevoerd zouden worden. In de eerste plaats moet met iedereen gesproken worden en niet enkel met een “gematigde Taliban” die in het door Karzai en de NAVO voorgestane onderhandelingsproces losgeweekt zou moeten worden van de striktere Taliban. Maar ook zou duidelijk gemaakt moeten worden dat het om machtsdeling en misschien wel een heel andere politieke constellatie in Afghanistan zou moeten gaan. In de huidige voornemens gaat het toch te veel om de consolidatie van de macht van Karzai.

Verder benadrukt hij dat alleen zo’n Nederlands-Scandinavisch initiatief voor een duurzame oplossing voor Afghanistan kan zorgen. Vroeg of laat zullen de Amerikaanse troepen het land verlaten en de macht overdragen aan Karzai en de voor hem opgeleide militairen en politie. Als de onderliggende conflicten niet opgelost zijn, zal ook Karzai het op de duur zonder buitenlandse hulp niet redden tegen zijn tegenstanders. Het land zal wederom afglijden in een burgeroorlog en een fragiele staat.

Het voorgestelde proces van onderhandelingen, verzoening en machtsdeling vereist wel het respecteren van bepaalde uitkomsten die mogelijk de onze niet zouden zijn. Maar we kunnen eenvoudigweg niet onze normen en waarden en de door ons gewenste politiek aan hen opdringen. Hoh wijst erop dat een regering die zo diep in het leven en de gewoontes van mensen zou indringen als wij in het westen van de Afghaanse regering verwachten, in ieder geval door de Amerikaanse burgers beslist niet geaccepteerd zou worden als het de Amerikaanse regering zou zijn. Enkele lokale NGO’s en de Afghaanse civiele samenleving kunnen een bijdrage leveren aan het verbeteren van de situatie van achtergestelde groepen in Afghanistan.

Als het om het analyseren van de onderliggende conflicten en het trainen van bemiddelaars in die conflicten gaat, doet bijvoorbeeld het US Institute of Peace goed werk, aldus Hoh. Alleen dreigt die instituut wegbezuinigde te worden door de republikeinse meerderheid in het congres. Aan de andere kant zijn analysten en mediatoren alleen niet voldoende. Er zal ook een politieke ruimte in Afghanistan geschapen moeten worden om dit werk te kunnen doen. Ook wordt er nogmaals op gewezen dat het analyseren en bemiddelen door neutrale NGO’s zal moeten gebeuren en niet door partijen die belang hebben bij een bepaalde uitkomst.

Sprekend over belangen, zul je ook rekening moeten houden met de belangen die velen in ons eigen deel van de wereld hebben bij het voortduren van de oorlog in Afghanistan. En dat zijn niet alleen de militairen en andere partijen in de veiligheidssector. Er is ook een ontwikkelingsindustrie en een denktank-industrie die flink garen spinnen van de oorlog in Afghanistan en hetzelfde geldt voor de media en bepaalde politici. Oorlog verkoopt. Zelfs met grote meerderheden binnen de bevolking tegen de oorlog, kunnen politici gewoon hun gang gaan omdat een hele kleine minderheid de steun aan de oorlog bepalend laat zijn bij het uitbrengen van zijn of haar stem. Daar komt bij dat de anti-oorlogsbeweging in de Verenigde Staten Obama steunde bij zijn verkiezing als president en nu tamelijk stil is als het om Obama’s oorlog in Afghanistan gaat. De brede anti-oorlogsbeweging van een aantal jaren geleden blijkt achteraf vooral een anti-Bush-beweging te zijn geweest.

Een verandering in de Amerikaanse Afghanistan-strategie zal dus niet gemakkelijk door druk vanuit de Amerikaanse samenleving tot stand komen. Hulp van buiten is welkom en alleen al daarom zou het erg wenselijk zijn als de Nederlandse regering terug zou komen op haar besluit om weer militair bij te dragen aan de ISAF-missie in Afghanistan, namelijk door middel van de zgn. politietrainingsmissie in Kunduz. Als de Tweede Kamer voet bij stuk had gehouden bij de tekst van de vorig jaar aangenomen motie van GroenLinks en D66 en enkel akkoord was gegaan met een EUPOL missie had dat al een belangrijk signaal kunnen zijn omdat Nederland dan besloten had het niet langer via de NAVO maar via de EU, het andere blok, had willen bijdragen aan de toekomst van Afghanistan.

Dat bracht het thema van een andere Afghanistan-strategie weer op het eigen Nederlandse bordje van de aanwezigen, afkomstig uit de gelederen van de Socialistisch Partij, GroenLinks, de vredesbeweging, ontwikkelingsorganisaties en de Afghaanse gemeenschap in Nederland. De politieke slag om de instemming van de Kamer met het regeringsbesluit hebben we vorige maand verloren, maar daarmee is de strijd nog niet gestreden. De Nederlandse troepen zitten nog niet in Kunduz en voor het zover is moet nog aan een aantal voorwaarden voldaan worden. Het is beslist de moeite waard om aanvullende feiten over de situatie (rond politietrainingen) in Kunduz te verzamelen, bijvoorbeeld via Duitse bronnen.

Tot dusverre hebben enkel feiten (want er is al een en ander na het Kamerdebat naar buiten gekomen en in de Kamer aan de orde gesteld) niet echt kunnen overtuigen. Behalve feiten zal ook werk gedaan moeten worden aan de mindset waarmee deze feiten worden geïnterpreteerd. Het gaat er dan om duidelijk te maken dat je niet aan veiligheid noch aan ontwikkeling kunt werken zolang er niet gewerkt wordt aan een politieke oplossing voor de conflicten in Afghanistan. Je zult eerst op het politieke nivuau moeten werken voordat je met de politie begint.

Wat betreft de feiten zouden we ook gebruik kunnen maken van de vele Afghanen die in Nederland wonen. Informatie over de civiele samenleving in Afghanistan, over de gouverneur van Kunduz, over het feit dat Kunduz helemaal geen veilige provincie is omdat de transportverbingen met Centraal-Azië door dit gebied gaan, grote aantallen moslimextremisten in dit gebied actief zijn, het een etnisch kruitvat is, het laatste Taliban-bolwerk was in 2001 en Hekmatjar, leider van één van de Taliban-facties, juist uit deze provincie afkomstig is. Je zou de verschillende stukken informatie kunnen bundelen in een zwartboek.

Afgesproken wordt dat een verslag van deze bijeenkomst aan de deelnemers zal worden toegestuurd en dat mede op basis daarvan gekeken kan worden of vanuit deze kring een initiatief zou kunnen ontstaan die aan een strategie gaat werken om de Nederlandse regering ervan te overtuigen dat een andere Afghanistan-beleid noodzakelijk is.